![]() Tekst zoals voorgedragen
bij de Uitvaart van Hans van Lanen op 27 augustus 2010
door Kristian Deimel Ik ken Hans pas een jaar of zeven. We hebben elkaar op de tennisbaan leren kennen tijdens een hussel avond. Aanvankelijk zagen we elkaar alleen op de hussel avonden, maar na een tijdje ben ik met het lerarenteam gaan meetennissen. We hadden ‘s winters een baan in de tennishal op zondagavond, en later hebben we als team samen een jaar competitie gespeeld. De vriendschap tussen Hans en mij bloeide pas echt op toen we daarna besloten om drie keer per week te gaan tennissen, liefst buiten, ook in de winter. We konden het goed vinden op de baan, op het terras bij een drankje en in lange gesprekken, soms ernstig, soms met veel humor. Hij vertelde graag over het voetballen en soms over wiskunde vraagstukken. Omdat ik ook wiskundige ben, ging hij ervan uit dat ik zijn uiteenzettingen zonder meer kon volgen, maar dat was zelden zo. Hij had zich dan zo verdiept in die problemen, en ik ben al lang niet meer actief met wiskunde bezig, zodat ik het nauwelijks volgen kon. Als Hans iets deed, deed hij het goed en vol overgave. Eén van zijn uitroepen bij een mooie bal was: met wiskundige precisie! Als wij samenspeelden, werd dat ons credo. Onder een winterse sterrenhemel gingen wij een keer tennissen bij -6 graden. Als ik eerlijk ben, had ik er niet zo'n zin in. Muts op, sjaal om, handschoenen aan, niet klagen en spelen maar. Het was wel even wennen om je racket met een handschoen goed te hanteren. Na een tijdje gingen muts en handschoenen uit, en daarna hebben we ons zowaar nog in het zweet gewerkt. 'Wat doet die grote tennisbal daar in de lucht?' Het was volle maan. Toen we daarna wilden drinken, was ons drinkwater bevroren. Na wat knijpen en schudden konden we wat ijswater drinken. En daarna hebben we verder gespeeld. Wat me ook altijd verbaasde was hoe snel Hans het warm had en zijn lange broek uittrok. Hij was altijd de eerste en bij koud weer de enige die in korte broek speelde. Dat had hij bij het voetballen ook altijd gedaan. Als hij dan bij een graad of vijf zijn broek weer uittrok, riepen wij: licht uit! En hij riep terug: jullie zijn niks gewend! Het weer deed Hans niks. We zijn een paar keer gaan tennissen in de motregen. Wij hebben heerlijk gespeeld, waren van binnen en van buiten nat, toen Hans riep: ‘Waar zijn al die mensen? Het is toch lekker weer.’ We hadden met zijn tweeën het hele tennispark voor ons alleen, en dat was zeker niet de enige keer. Zelfs het eekhoorntje dat vaak naar ons kwam kijken, was er niet in de regen. Drie jaar geleden werd Hans ziek: maagkanker. Na een operatie en chemo was hij in totaal bijna een jaar ziek. Tegen het eind van de chemo was Hans zo ziek, dat hij alleen nog voetje voor voetje de trap op kwam. Toen had ik nooit gedacht dat hij nog zou tennissen. Toen Hans nog zwak en broos was, gingen we op een middag op jacht naar een olijfboom voor een tennisvriend die ging trouwen. Ik zie Hans nog naast mij in de auto zitten met een dikke sjaal om zijn hals, terwijl ik me afvroeg of hij nog gezond zou worden. We toerden door de modder van de Meijerij naar Brabants sprekende bomenkwekers. Hans had zichtbaar schik in de gesprekken met die boeren, die ik maar half verstond. Hans hield van gesprekken met wildvreemde mensen en wist er vaak verrassende informatie uit te krijgen. Zo had één van de boeren zelf een vrachtwagen vol olijfbomen uit Italië gehaald. Na heel wat fysiotherapie kwam Hans terug op de tennisbaan. In het begin moeizaam, maar met een ijzeren wil bleef hij knokken en al gauw was hij weer beresterk en speelde als daarvoor. Hij heeft daarna nog 2 goede jaren mogen beleven, met veel tennisavonden en veel humor. Hij wou iedere avond sporten, naast het tennissen deed hij ook nog aan zaalvoetbal. Hans was een sportman in hart en nieren, hij dronk ook weinig, fietste vaak naar school. Hij had een sporthart, in dubbel opzicht. Het is nog maar 7 weken geleden dat Hans en ik bij het dubbelen deelnamen aan het ELTV toernooi, en daarbij zelfs winnaar werden van onze poule. Op woensdag in die week hoorde hij van de oncoloog dat het niet goed was. Hij was erg geraakt maar wilde de ernst ervan negeren, althans naar ons toe. Hij was tot dan toe altijd positief ingesteld geweest, maar later vertelde hij me dat hij er zich al 3 maanden eerder bij neergelegd had dat het niet meer goedkwam. Op donderdag, zoals later bleek onze laatste tennis avond, had hij grote moeite om het vol te houden, maar hij hield dat goed verborgen en zei dat het aan de warmte van 30 graden lag. Ik heb nog gezegd: we hoeven niet te spelen, het is maar een spelletje, we kunnen ook op het terras gaan zitten en wat drinken en praten. Maar Hans wou winnen. En we hebben die avond nog gewonnen, maar de Gróte strijd was voor Hans helaas verloren. Het was heel kenmerkend voor Hans dat hij tot op het laatst bleef tennissen en nooit klaagde. Hij klaagde gewoon niet, terwijl hij het soms toch heel moeilijk had, fysiek en psychisch. Ik mis zijn humor, zijn vriendelijkheid, zijn menselijkheid tegenover anderen. Met Hans op de baan of op het terras was het altijd lachen geblazen op een prettige manier. Hij hield van tennissen en voetballen, van zijn vak als wiskunde leraar en van de humor die anderen geen pijn doet. Hans was een fijne en zachtaardige man, die wij graag in goede herinnering behouden. Ik weet niet of er een hiernamaals is. Maar als het er is, dan hoop ik Hans daar weer te zien. In ieder geval leeft hij voort in onze goede herinneringen. |